Honderdduizenden Nederlanders lijden aan de zomerdip, aldus de Telegraaf. De cirkel is rond. Elk jaargetijde zijn eigen depressie. En dan is er Zomergasten, met Jan Marijnissen die op punt stond politiek door te breken en toen plat moest met gruwelijke pijn. Reageren kan op artikel7
Altijd gedacht dat ik de enige was, maar in de Telegraaf zag ik me bevestigd: Ik heb iets, en ik deel het met zeker 230.000 Nederlanders: De zomerdip. Het komt natuurlijk door het warme weer en door het feit dat iedereen weg is. Veel mensen houden van de vakantie. Ik ken ze goed. Ze gaan met verwanten en vrienden naar een huisje in Frankrijk, of ze trekken zich terug op een berg. Ha, lekker helemaal niks doen, een dik boek op de schoot en dan, zo half in de schaduw een beetje indutten, na de zoveelste slapeloze nacht. Hier en daar een treurige vogel of wat geritsel in de dorre struiken. Of aan het strand, dat je de zee hoort zuigen en trekken, onverstoorbaar en ondoorgrondelijk in de gevangenschap van zijn eb en vloed, eb en vloed. Een ieder uitbuikend en lichtelijk of zwaarder verbrandend op zijn eigen eilandje in het zand, halfzacht hallucinerend met quasi erotische, onaffe droompjes.
Even er helemaal uit.
Sommigen stappen op de fiets, rijden honderden kilometers en hopen uit te waaien, maar belanden op die lange rechte weg tussen A en B, de blik op de streep op de weg, zadelpijn en waar blijven de gehoopte inzichten over wat te doen met het leven? Anderen beperken zich toch een dagje Zaltbommel. De magische grandeur van ‘een dagje’. Je loopt onder de oude toren, kijkt in de etalage en voor je het weet ben je het stadje weer uit. En dan loop je er maar weer in.
U ziet wel, dit stukje lijkt helemaal nergens heen te gaan, en dat is precies wat ik zo heb tegen de zomer. Die oeverloosheid.
Ik heb iets. Het is dus de zomerdip wat ik heb. Wat een opluchting. Ik word verkouden, krijg zo’n halfzachte hoofdpijn, waarover je wel wat kunt klagen, maar ook niet echt. Maar het ligt niet aan mij, ik heb iets. Op een terras zittend, zie ik de onbereikbare meisjes langskomen, trouwens, al waren ze niet onbereikbaar, wat moest je er dan mee. Dat. Het maakt niet uit. Ik heb iets, en ik deel het met minstens 230.000 andere Nederlanders.
En dan is er het programma Zomergasten. Het is al een dag geleden, maar het heeft me niet verlaten.
Dat hangt direct samen met mijn jaarlijkse zomerdip, waar ik met die andere 230.000 Nederlanders naar kijk. Heb je alles gehad, krijg je Zomergasten. Je wilde niet kijken, maar je kijkt toch. Dit keer met de pathetisch ingestelde Jan Marijnissen die zich, zo te horen, al aan het voorbereiden was op de dood, met al dat gepraat over de religie, en over de dingen waar het uiteindelijk allemaal om zou draaien, dat wil zeggen mooie muziek, dat wil zeggen vooral heel langzame, heel gedragen muziek. Muziek om bij te sterven.
Wat een mateloos gebrek aan humor spreidde die Jan tentoon. Jelle Brandt Corstius trachtte er nog wat doorheen te prikken, probeerde halfzacht een grapje, herhaalde een beetje plagend een vraag als daar geen antwoord op kwam, alles voor die bevrijdende lach, maar slaagde daar niet in, en zo zaten er twee mannen tegenover mekaar, elk in hun opdracht, maar vooral samen in de virtuele catacombe die Marijnissen om zich heen aan het bouwen was.
De deuren stonden open. Er was geeneens een brommertje. Ik kreeg medelijden met Jan Marijnissen, die het met die terugkomende hernia natuurlijk ook zwaar had getroffen, juist op het moment dat hij politiek gezien op punt van doorbreken had gestaan. Zijn partij zakte in elkaar en hij kon alleen maar platliggen, zelfs niet meer in staat, zo zei hij, om van het bed naar de bank te bewegen.
Of nou ja, medelijden, dat toch niet. Ik had graag medelijden met Jan willen hebben. Al was het maar omdat ik respect heb voor politici als Jan Marijnissen die staan voor wat ze zijn. Maar er was iets aan hem dat dit verhinderde. Dat geslotene misschien. Jan Marijnissen slaagde er maar niet in om zicht te geven op zijn verdriet en zijn pijn. Daartoe had hij in zijn politieke leven teveel laag op laag moeten stapelen. Denk ik dan. Ik weet het niet. Ik ken Jan Marijnissen helemaal niet.
En de Tour was ook al niks. En waar is iedereen trouwens?

